ECG-Clopedia
ECG-Clopedia
AV-knoop onafhankelijke tachycardieën
AV-knoop onafhankelijke tachycardieën
Bij AV-knoop onafhankelijke tachycardieën is de AV-knoop niet van belang voor het tot stand houden van de tachycardie. De tachycardie stopt namelijk niet wanneer de AV-knoop wordt geremd. Hooguit zal de kamerfrequentie vertragen terwijl de snelle frequentie op boezemniveau zal aanhouden.

Ÿ
Ÿ
atriumfibrilleren(onregelmatige smal complex tachycardie);
Ÿ
Ÿ
Ÿ
Atriale tachycardie: zie ECG 6, ECG 7, ECG 8 en ECG 9 later.
Kenmerken
Ÿ
P=anders als sinus P;
Ÿ
P pos. of bifasisch in aVL=rechteratrium focus;
Ÿ
P pos. in V1 =linkeratrium focus;
Ÿ
freq: 150-200/min.;
Ÿ
iso-electrische intervallen tussen P’s. Dit in tegenstelling tot atriumflutter.
Ÿ
PR is afh. van kwaliteit AV-geleiding. PR = of < of > RP;
Ÿ
vagus prikkeling geeft AV-blok terwijl de tachycardie in de boezems blijft doorgaan(AV-dissociatie);

ECG 6: een voorbeeld van waarschijnlijk een atriale tachycardie. Er bestaat ook in dit geval een electrical alternans van het QRS-complex;
ECG 7: het ECG na beëindiging van bovenstaande atriale tachycardie;
ECG 8: een paroxysmale atriale tachycardie;
ECG 9: een voorbeeld van een paroxysmale atriale tachycardie.
Multifocale(multiforme)atriale tachycardie. Zie monitorstrook 1 en ECG 9a later.
Ÿ
multiple, multiforme P’s(>3);
Ÿ
wisselende PQ-tijd;
Ÿ
wisselende RR-intervallen;
Ÿ
iso-electrische intervallen tussen P’s. Dit in tegenstelling tot atriumflutter en atriumfibrilleren.
Ÿ
veel voorkomend bij pulmonale afwijkingen en ernstig zieke oudere patiënten.
Het onderliggend mechanisme kan een verhoogde automatie zien of getriggerde activiteit(digitalisintoxicatie) en in sommige gevallen een re-entry in de boezems. Is de oorzaak een digitalisintoxicatie dan ontstaat er wel eens een 2de graads AV-blok
Monitorstrook 1: een chaotische of multiforme atriale tachycardie
ECG 9a: een multiforme of chaotische boezemtachycardie
Sinustachycardie: zie ECG 10 later.
Komt voor:
Ÿ
onder normale reactie op fysische en psychische inspanning;
Ÿ
hypotensie, hypovolemie, hyperthyreoïdie;
Ÿ
hartfalen, longembolie, hartinfarct, infecties, intoxicaties.
Ÿ
Begint en eindigt geleidelijk
-P-top: Normaal:
-activatie van re naar li: P pos. in I, aVL en V6;
-activatie van boven naar beneden: P pos II, III, aVF en V6, neg. in aVR;
-activatie eerst naar voor, dan naar achteren: P bifasisch in V1.
Ÿ
Sinus carotis massage:
-de tachycardie vertraagt geleidelijk, maar stopt niet;
-bij beëindigen van SCM wordt het ritme weer sneller.
ECG 10: een sinustachycardie. Er bestaat een subacuut anterior infarct met een linker anterior fasciculair blok en een linkeras draaiing.
Sino atriale re-entry tachycardie(SART)
Kenmerken:
Ÿ
ontstaat niet in sinusknoop zelf maar in weefsel rondom SA-knoop;
Ÿ
trigger=PAC en wordt ook beëindigd door PAC;
Ÿ
ontstaat en stopt derhalve plotseling;
Ÿ
SCM kan ritme termineren;
Ÿ
niet constant en afh. van drukveranderingen.
Atriumfibrilleren. Zie ECG 11 later.
Kenmerken:
Ÿ
P-top: geen, wel fibrillatiegolfjes, wisselend van vorm en amplitude(350-600/min);
Ÿ
QRS: niet breder dan 0,10 sec, behalve bij BTB en aberrantie;
Ÿ
geleiding: door snelle boezemfrequentie laat de AV-knoop heel irregulair prikkels door(refractaire periode van AV-knoop);
Ÿ
ritme: onregelmatig boezem- en kamerritme;
Ÿ
frequentie: boezemfreq: 350-600/min;
AF met snelle kamerfrequentie of snelle ventrikelrespons: kamerfrequentie >100-120 sl/min;
AF met met trage kamerfrequentie of trage ventrikelrespons: kamerfrequentie <60 sl/min.
Er bestaan verschillende vormen. Er kan een indeling gemaakt worden naar duur, oorzaak, inductie, frequentie en naar frequentie van optreden.
Naar duur:
Ÿ
paroxysmaal AF: duur max. 24 uur, eindigt spontaan of snel chemisch te termineren;
Ÿ
persisterend AF: duur > 24 uur, eindigt niet spontaan, wel te termineren middels cardioversie of antiaritmica;
Ÿ
permanent AF: duur > 24 uur, is niet te converteren tot sinusritme.
Naar oorzaak:
Ÿ
primair AF: door organisch hartlijden: mitralisklepvitia, dec. cord., ASD, cardiomyopathie, infarct, peri-, endo-, myocarditis, hypertensie, hypertrofie, post hartchirurgie, tumoren van hart;
Ÿ
secundair AF: oorzaak buiten hart: longziekten, hyperthyreoïdie, intoxicatie;
Ÿ
idiopathisch of lone AF: geen afwijkingen als oorzaak.
Naar wijze van inductie
Ÿ
vagaal AF: begint ‘s nachts, stop ‘s ochtends, na maaltijd, na stress, na alcohol. Geen onderliggende hartziekte, >bij mannen dan bij vrouwen tussen 30-50 jaar;
Ÿ
adrenerg AF: treden overdag op, door inspanning, stress, thee, koffie of alcohol. Stopt spontaan. Geassocieerd met onderliggende hartziekte(ischaemisch);
Ÿ
pauze-afhankelijk AF: bij ouderen, SSS, lange sinuspauze.
Naar frequentie:
Ÿ
AF met snelle kamerfrequentie of snelle ventrikelrespons: kamerfrequentie >100-120 sl/min;
Ÿ
AF met met trage kamerfrequentie of trage ventrikelrespons: kamerfrequentie <60 sl/min.
Naar frequentie van optreden:
Ÿ
sporadisch: eens per jaar;
Ÿ
frequent: >1x per maand.
Opmerking: atriumfibrilleren hoort eigenlijk niet in het rijtje thuis van smal complex tachycardieën. Het is namelijk een onregelmatige tachycardie.
ECG 11: atriumfibrilleren met een snelle kamerfrequentie. Het 1ste complex vertoont een RBTB aberrantie. Na het 8 ste complex zien we 3 complexen met een LBTB aberrantie
Atriumflutter. Zie ECG 12 later.
Kenmerken:
Ÿ
P-top: geen, wel fluttergolven, zaagtandfenomeen, uniform;
Ÿ
Kamerfreq:
- Type 1: neg. flutter in II, III, aVF(re-entry loopt van caudaal naar craniaal, freq. 240-300);
- Type 2: pos. flutter in II, III, aVF(re-entry loopt van craniaal naar caudaal, freq. 340 sneller);
Ÿ
QRS: niet breder dan 0,10 sec, behalve bij BTB en aberrantie;
Ÿ
geleiding: door door snelle boezemfrequentie meestal 2:1, 3:1, 4:1, Wenckebach, wisselende geleiding;
Ÿ
ritme: regelmatig bij constante AV-geleiding, irregulair bij wisselende AV-geleiding;
Ÿ
frequentie:
-boezemfreq: 240-300 bij Type 1 of common type;
-boezemfreq: tot 340 bij Type 2 of uncommon type ;
-kamerfreq is afhankelijk van AV-geleiding en type boezemflutter. Bij flutter van 300/min en 2:1 geleiding=kamerfreq. 150/min.
Opmerking: zie figuur 3 later.
Ÿ
Type I: het re-entry circuit heeft een excitable gap=goed te overpacen, boezemfrequentie tot 300/min(A)
Ÿ
Type II: het re-entry circuit heeft geen excitable gap=moeilijk te overpacen, boezemfrequentie  gelijk of meer dan 340/min(B)
Figuur 3: A=re-entry circuit met excitable gap, B=re-entry zonder excitable gap
ECG 12: een atriumflutter met 2:1 AV-geleiding. Er bestaat een typische kamerfrequentie van 150 sl/min.