![]()
Inleiding
De
meerderheid van gevallen van plotselinge hartdood als gevolg van
ventrikelfibrilleren wordt geassocieerd met hartziekten, in het bijzonder bij
ziekten van de coronairvaten. Plotselinge hartdood bij een normaal hart treedt
zelden op.
Oorzaken van
plotselinge hartdood zijn:
·
Brugada syndroom;
·
Pre-excitatie
syndroom;
·
Long QT syndroom(LQTS).
Geschiedenis
In 1986 werd er een
nieuw syndroom beschreven door de de gebroeders Brugada. E.e.a. naar aanleiding
van een driejarig Poolse jongen. Hij was
diverse keren plots bewusteloos geraakt en verscheidene keren door zijn vader
gereanimeerd. Zijn zusje was reeds overleden op tweejarige leeftijd, na
verschillende periodes van plots syncope. Op het moment van overlijden stond
dit meisje onder maximale medische behandeling bestaande uit medicatie en een
éénkamer- pacemaker.
Het elektrocardiogram van deze twee kinderen vertoonde
dezelfde heel typische kenmerken.Het syndroom is nu
bekend als het Brugada syndroom. Dit syndroom kan acute hartdood veroorzaken
bij schijnbaar gezonde personen met een normaal gevormd en functionerend hart.
Het is merkwaardig
dat de inboorlingen van de Filippijnen al tientallen jaren vertrouwd zijn met
deze vorm van plotse dood. Zij noemen het bangungut. Dit is te vertalen als :
schreeuw gevolgd door plots overlijden tijdens de slaap. Ook in Japan kent men
dit als pokkuri. In Thailand spreekt men van lai tai . De overlevering wil dat
de geesten van jonge weduwen deze jonge mensen, meestal mannen, kwamen halen.
Daarom gingen de meeste jonge mannen slapen, verkleed als vrouw in de hoop dat
zij dan door de geesten niet zouden herkend worden. In de praktijk kwamen zij
natuurlijk bedrogen uit.
ECG-patroon
Het
Brugada syndroom wordt geassocieerd met een vreemd patroon op het elektrocardiogram (ECG) bestaande uit een
pseudo-RBBB als gevolg van opgetrokken J-punt, een persisterend ST-segment
elevatie en negatieve T-top in de afleidingen V1 tot V3
en (rechter pre-cordiale afleidingen). In zeldzame gevallen wordt dit gezien in
de onderwand afleiding; het betreft hier patiënten met een unieke mutatie.
Er zijn drie
verschillende patronen van ST-elevatie beschreven:
·
In het klassieke Brugada type 1 ECG(Zie ECG 1)
daalt de ST-elevatie(
2 mm) met een positieve welving en gaat over
in een T inversie. Dit wordt ook het “coved type” Brugada patroon genoemd;
·
Het type 2(zie ECG 2) en type 3(zie ECG 3) heeft een zadelvormige
ST-segment configuratie waarbij de ST-elevatie daalt tot de basislijn en gaat
dan over in een positieve of bifasische T top. Bij het type 2 is de ST-elevatie
1 mm en daalt niet tot de basislijn. Bij het
type 3 is de ST-elevatie <1 mm en daalt het middensegment van het ST-segment
tot aan de basislijn;
·
De brede S top in de linker laterale afleidingen die
karakteristiek zijn bij een RBBB ontbreken bij de meeste patiënten met Brugada
syndroom;
·
Het PR-interval is normaal of licht verlengd;
·
Het QT-interval is normaal of verkort.
Er kunnen spontane
veranderingen optreden van deze ECG afwijkingen. Op sommige momenten kunnen
deze patiënten een volkomen normaal ECG vertonen. De ST afwijkingen kunnen
farmacologisch worden beïnvloed. Flecaïnide, Procaïnamide of Ajmaline kunnen de
ST veranderingen doen toenemen. Isoprenaline daarentegenover doet de
afwijkingen afnemen.
Brugada patroon en
syndroom
Het
karakteristieke ECG patroon is slechts een onderdeel van de criteria voor de
diagnose Brugada syndroom. Van patiënten die de typische ECG eigenschappen
hebben maar verder geen andere klinische criteria wordt gezegd dat zij het
Brugada patroon hebben maar niet het Brugada syndroom.
Epidemiologie
Het
Brugada syndroom komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Vooral in Azië is
het veel voorkomend. Het Brugada syndroom komt vaak voor in Azië(zie geschiedenis).
Oorzaak
Een
verscheidenheid van factoren kunnen bijdragen aan
de klinische symptomen van het Brugada syndroom.
Wanneer de afwijkingen aanwezig zijn op het ECG als gevolg van mutatie van het
cardiaal natrium kanaal gen SCN5A, spreken we van primaire Brugada
golven. Worden de ECG-afwijkingen zichtbaar als gevolg van bijvoorbeeld
autonome tonus, koorts, het gebruik van cocaine, psychotropische medicamenten,
flecaïnide en procaïnamide, dan spreken we van secundaire secundaire Brugada
golven.
Mutaties in het cardiale natriumkanaal gen is bij 18 tot 30
percent van de families met het Brugada syndroom gevonden.
Het defecte myocard natriumkanaal vermindert de natriuminstroom daarbij de duur
van het normale actiepotentiaal verminderend. Bovendien verkort een
voorbijgaande uitstroom, I(to) genaamd, in het epicard van de rechterventrikel
het actiepotentiaal verder.
De relatie tussen natrium kanaal abnormaliteit en het ST-segment
elevatie is niet geheel duidelijk. Het ventrikulaire myocard is samengesteld
uit tenminste drie verschillende elektrofysiologische celtypes: epicardiale,
endocardiale en M-cellen. De ST-segment elevatie bij het Brugada syndroom is
mogelijk het gevolg van een verandering in het actiepotentiaal in de
epicardiale en mogelijk in de M cellen, maar niet in de endocardiale cellen. De
verspreiding van de repolarisatie over de ventrikelwand, wat het meest
uitgesproken is in de rechterventrikel, resulteert in een transmuraal voltage
verschil, wat op het electrocardiogram te zien is als een ST-elevatie. Zie figuur 1 en figuur 2
Als gevolg van dit potentiaalverschil kan er spontaan een stroom ontstaan.
Hoe bovenstaande leidt tot ventriculaire tachycardieën wordt later beschreven,
maar zoals bij de ST-elevatie, wordt VT en VF mogelijk veroorzaakt door de heterogeniteit
van de cardiale actiepotentiaal in de drie lagen van de myocardcellen en in het
epicard zelf.
Gerelateerde
aandoeningen;
Mutaties in
hetSCN5A gen zijn ook gezien bij andere elektrofysiologische afwijkingen:
·
Congenitaal long QT syndroom type 3;
·
Congenitaal Sick Sinus Syndroom;
·
Familiaire gedilateerde cardiomyopathie met
geleidingstoornissen en gevoelig voor atriumfibrilleren.
Het verschil in
klinische symptomen zijn waarschjnlijk het gevolg van de elektrofysiologische
verschillen geïnduceerd door de specifieke mutaties.
In een onderzoek waarbij 13 patiënten met een long QT
syndroom type 3 intraveneus flecaïnide werden toegediend trad bij 12 van hen
een verkorting van de repolarisatie en het QT-interval op. Bij 6 van hen
ontwikkelde zich een ST-segment elevatie in V1 tot V3
vergelijkbaar met dat van het Brugada syndroom. Dit doet vermoeden dat er een
overlap is tussen het Brugada syndroom en long QT type 3.
Structurele afwijkingen
Het Brugada
syndroom wordt niet geassocieerd met structurele afwijkingen. Standaard
cardiaal onderzoek, zoals echocardiografie, X-ECG, en MRI laten over het algemeen geen structurele
afwijkingen zien. Je kunt het Brugada syndroom het beste omschrijven als een
stoornis die voorkomt bij schijnbaar gezonde harten. Er is echter enig bewijs dat
er subtiele structurele of microscopische afwijkingen zijn bij het Brugada
syndroom waaronder dilatatie van de outflow tract van de rechterventrikel, en
plaatselijke ontstekingsreacties en fibrosis.
Verder bewijs van
microscopische afwijkingen bij het Brugada syndroom werd geleverd van een
onderzoek van 18 patiënten die endomyocardiale bioptie kregen. Hoewel
noninvasief onderzoek bij alle 18 patiënten geen afwijkingen aantoonden, hadden
alle 18 tekenen van microscopisch structurele afwijken waarvan bij 14 van hen
tekenen van myocarditis van de rechterventrikel hadden.
Aritmogeniteit
De meest voorkomende
ritmestoornis bij het Brugada syndroom zijn ventriculaire ritmestoornissen,
alhoewel er ook bewijs is voor een verhoogde incidentie van atriumfibrilleren.
Ventriculaire
aritmieën
Ventrikelfibrilleren kan optreden
vanwege de heterogeniteit van de refractaire periode als gevolg van de
aanwezigheid van normale en gemuteerde natriumkanalen in hetzelfde weefsel. Elektrische
heterogeniteit in het epicard van de rechterventrikel is aanleiding voor het
ontstaan van snel op elkaar volgende gekoppelde premature ventriculaire slagen
die, door middel van een re-entry mechanisme, ventrikelfibrilleren kunnen
veroorzaken.
Een andere
mogelijkheid is dat de plaatselijke vertraagde impulsgeleiding door de rechterventrikel
bijdraagt aan de aritmogeniteit. De geleidingsvertraging is het gevolg van of de verminderde natriumstroom of subtiele
interstitieële fibrose of ontstekingsreactie. De mogelijk significantie van de
geleidingsvertraging is minder duidelijk dan de heterogeniteit van de
actiepotentiaal en het geheel is nog gecompliceerder door de mogelijke
overlapping met andere aritmie syndromen, in het bijzonder de aritmogene rechterventrikel dysplasie.
Atrium
fibrilleren
Patiënten met het Brugada
syndroom hebben ook een verhoogd risico op atriale ritmestoornissen wat past
bij de natrium kanaal afwijking.
Overeenkomst
met ARVD
Het Brugada ECG-patroon kan een
vroeg symptoom zijn van de aritmogene rechterventrikel dysplasie. De
aritmogene rechterventrikel dysplasie is een erfelijk bepaalde stoornis die de
in hoofdzaak de rechterventrikel betreft. Kenmerkend hierbij is dat het myocard
van de rechterventrikel wordt vervangen door vet met verlittekende myocardcellen
en fibreus weefsel.
Patienten met een
aritmogene rechterventrikel dysplasie hebben afwijkingen in de rechterventrikel
die te zien zijn met echocardiografie en op MRI. Dit in tegenstelling tot de
grote meerderheid van patiënten met het Brugada syndroom waarbij geen
structurele afwijkingen te zien zijn op echocardiografie of MRI.
Autonome
tonus
Een onbalans tussen sympathische
en parasympathische tonus kan belangrijk zijn bij het ziektebeeld
van het Brugada syndroom, wat gesuggereerd wordt door het nachtelijk optreden
van de aritmieën en de typische ECG veranderingen door farmacologische
modulatie van de autonome tonus.
Criteria
bij de diagnose
Het Brugada
syndroom is nog niet goed gedefinieerd en het vaststellen van de diagnose is
vaak moeilijk. Het ECG en klinische kenmerken zijn beiden belangrijk. Het
hebben van de typische veranderingen van het Brugada ECG-patroon op het ECG
alleen is niet hetzelfde als het hebben van het Brugada syndroom.
Type 1:
Aanwezigheid van type 1 ST-segment elevatie in meer dan één rechts precordiale
afleiding (V1 - V3), plus tenminste één van de
volgende criteria:
·
Gedocumenteerd ventrikelfibrilleren;
·
Polymorfe ventriculaire tachycardieën;
·
Plotselinge dood bij <45 jaar in de familie
anamnese;
·
Type 1 ST-elevatie bij familieleden;
·
Elektrofysiologsche opwekbaarheid van ventriculaire
tachycardieën;
·
Onverklaarbare syncope suggestief voor tachycardieën;
·
Nachtelijke
ademstilstanden.
Type 2 en type 3:
Aanwezigheid van type 2 of type 3
ST-segment elevatie in meer dan één rechts precordiale
afleiding onder normale omstandigheden met een conversie naar type 1 na
toediening van een natrium kanaal blokker plus tenminste één van de volgende criteria:
·
Gedocumenteerd ventrikelfibrilleren;
·
Polimorfe ventriculaire tachycardieën;
·
Plotselinge dood bij <45 jaar in de familie
anamnese;
·
Type 1 ST-elevatie bij familie leden;
·
Elektrofysiologsche opwekbaarheid van ventriculaire
tachycardieën;
·
Onverklaarbare syncope suggestief voor tachycardieën;
·
Nachtelijke
ademstilstanden.
Medicamenteus
geïnduceerde conversie van type 3 naar type 2 ST-segment elevatie wordt als
niet relevant beschouwd bij de diagnose voor het Brugada syndroom.
Niet alle patiënten
met type 2 of type 3 Brugada ECG moeten een medicamenteuze test ondergaan. Bij
patiënten met een gedocumenteerd ventrikelfibrilleren, polymorfe ventriculaire tachycardie, onverklaarbare
syncope suggestief voor tachycardieën en nachtelijke
ademstilstanden is dit niet noodzakelijk. De meeste van deze patiënten krijgen
een Implantable Cardioverter Defibrillator ongeacht de resultaten van de
medicamenteuze test.
Medicamenteuze test
Onder de patiënten
met het Brugada type 2 of type 3 ECG-patroon kan het Brugada type 1 ECG patroon
soms ontmaskerd worden door natriumkanaal blokkers. (bv flecainamide,
procainamide of ajmaline). De sensitivity van deze farmacologische test met
deze medicamenten varieert van 100% tot 15%.
De aanbevolen dosering
voor het Brugada syndroom is:
De test dient plaats te vinden
onder continue ECG-bewaking. Zie ECG 4 is een voorbeeld van een Brugada type 2. ECG 5 is
van de zelfde patiënt na procaïnamide 500 mg i.v. Er ontstaat nu een type 1
Brugada.
Indicaties om de test te
onderbreken zijn:
·
Ontstaan van een diagnostisch type 1 Brugada ECG;
·
Een ≥
·
Het ontstaan van premature ventriculaire slagen of ander
aritmieën;
·
Verbreding van het QRS complex met
30%.
Klinische
symptomen en risico stratificatie
Alle klinische symptomen zijn
gerelateerd aan levensbedreigende ventriculaire aritmieën. Plotselinge hartdood
kan de eerste en enige event van het Brugada syndroom zijn wat optreedt bij een
op de drie patiënten. De aritmieën treden gewoonlijk op tussen het 22 en 65e
levensjaar, meer s’nachts dan overdag en vaker tijdens de slaap dan tijdens
wakker zijn. Plotselinge hartdood bij Brugada syndroom is niet gerelateerd aan
inspanning. Opgeslagen ECG’s van implantable cardioverter defibrillators
(ICD’s) hebben hebben vaak premature ventriculaire hartslagen laten zien die
morfologisch identiek waren aan de prematuur ventriculaire complexen die
ventrikelfibrilleren initieerden en die vaak gezien werden voor het ontstaan
van de aritmie. De risico stratificatie begint gewoonlijk met de bepaling van
de aan- of afwezigheid van de geassocieerde symptomen.
Opgemerkt dient te worden dat niet-induceerbaarheid van ventrikelfibrilleren
tijdens elektrofysiologisch onderzoek geenszins betekent dat
ventrikelfibrilleren niet het eerste en fatale symptoom kan zijn.dat
Behandeling
Hoewel farmacologische therapie
geprobeerd is heeft alleen een implantable cardioverter-defibrillator
(ICD) bewezen effectief te zijn.
Farmacologische
therapie
Er zijn geen bewezen
medicamenteuze behandelingen ter voorkoming van plotselinge hartdood bij het
Brugada syndroom. In een onderzoek onder 63 patiënten werd bij 35 een ICD
geïmplanteerd, medicamenteuze therapie met beta-blokkers en of cordarone werd
toegepast bij 15 patiënten en 13 werden niet behandeld. Tijdens een 34 maanden
follow-up was de incidentie van aritmieën bij alle drie de groepen gelijk, maar
er waren geen doden bij de ICD groep in tegenstelling tot de 26 en 31% mortaliteit
bij de andere twee groepen. Alle doden waren het gevolg van plotselinge
hartdood. De conclusie was dat cordarone en beta-blokkers de patiënten geen
bescherming bieden bij het Brugada syndroom tegen plotselinge hartdood.
Sudden Unexpected Nocturnal Death Syndrome
Een sudden unexpected
nocturnal death syndrome(SUNDS, ook wel sudden unexpected death syndrome of
SUDS) is beschreven geworden bij jonge ogenschijnlijk gezonde mannen uit
zuid-oost azië. Dit syndroom heeft verschillende namen zoals “lai tai”(dood
tijdens de slaap) in Thailand, “bangungut”(to rise and moan in sleep followed
by death) in de Filippijnen, en “pokkuri”(unexpected SCD at night) in Japan.
Een meerderheid van
de patiënten met SUNDS hebben dezelfde kenmerken op het ECG als bij Brugada
syndroom. Deze associatie wordt bevestigd door de bevinding dat deze patiënten
mutaties hebben in hetzelfde cardiale natriumkanaal gen, SCN5A, dat afwijkend
is bij het Brugada syndroom.
Gebaseerd op deze gegevens kan
geconcludeerd worden dat SUNDS en Brugada syndroom genetisch en functioneel
dezelfde stoornis is. De behandeling van deze patiënten is daarom hetzelfde als
bij het klassieke Brugada syndroom.