
![]()
Het sick sinus syndroom, ook wel bradycardie-tachycardie syndoom genoemd, wordt gekenmerkt door sinusknoop dysfunctie. De gangmakersfunctie van de sinusknoop(prikkelvormend en prikkelgeleidend) schiet ernstig tekort. Dit uit zich op het ECG o.a. in sinusbradycardieën, sinusarresten, sino-auriculaire blokken. Soms worden bradycardieën afgewisseld met tachycardieën. Vandaar ook wel de benaming bradycardie-tachycardie syndroom.
Er zijn meerdere oorzaken voor het Sick Sinus Syndroom, vaak
is dit echter idiopathisch.
Het komt meestal voor bij oudere mensen, alhoewel
het in alle leeftijdsgroepen kan optreden, inclusief bij neonaten. De
gemiddelde leeftijd bij een SSS is 68 jaar. Het komt evenveel bij mannen als
vrouwen voor. Het SSS wordt bij 1 op de 600 cardiale patiënten ouder dan 65
jaar gezien en is voor ca 50 % verantwoordelijk voor alle
pacemakerimplantaties.
Zoals reeds eerder opgemerkt is de
oorzaak van het SSS meestal idiopathisch.
Degeneratieve fibrosering van de sinusknoop is de meest
voorkomende oorzaak. Andere afwijkingen die ten grondslag liggen aan het SSS
zijn:
a. enkele intrinsieke oorzaken:
-cardiomyopathie;
-ischemie;
-myocardinfarct;
-reumatische hartziekten;
-chirurgische beschading;
-pericarditis;
-myocarditis;
-gemetastaseerde aandoeningen;
-spierdystrofie;
-ijzerstapelingsziekte.
b. enkele extrinsieke oorzaken:
-hyperkaliëmie;
-hypoxie;
-digitalis;
-beta-blokkers;
-calcium kanaal blokkers;
-anti-aritmica.
c. Pediatrische oorzaken:
-congenitale afwijkingen
Coronaire afwijkingen, zoals bv. een myocardinfarct, kunnen
samengaan met SSS. Het is niet geheel duidelijk of een
ontstekingsproces of lokaal autonoom neuraal effect in deze het SSS tot gevolg
heeft. In dergelijk gevallen is het SSS meestal van tijdelijke aard.
Patiënten met SSS zijn vaak a-symptomatisch of hebben milde,
weinig specifieke klachten.
De meeste symptomen worden veroorzaakt door een afgenomen
cardiac output als gevolg van de brady-aritmieën of tachy-aritmieën. Een
verminderde cerebrale perfusie is hiervan het gevolg. Dit uit zich in syncpe of
pre-syncope.
De volgend symptomen kunnen reeds
maanden tot jaren aanwezig zijn alvorens de diagnose SSS wordt gesteld:
-syncope;
-duizeligheid;
-angina pectoris;
-hartfalen;
-CVA.
Verder kunnen voorkomen:
-bradycardie-tachycardie
geïnduceerde tromb0-embolieën en CVA’s
Wanneer in aanwezigheid van koorts, links decompensatio
cordis of longoedeem de hartfrequentie traag is, moet er gedacht worden aan een
SSS.
Tachycardieën die geassocieerd worden met SSS veroorzaken
flushing in het hoofd, hartbonken en retrosternale pijn.
Andere tekenen voor SSS zijn geirriteerdheid, nachtelijke
slapeloosheid, geheugenverlies, moeheid, licht in het hoofd, foute
inschattingen, stofwisselingsstoornissen, periodes van oligurie of oedemen en
milde intermitterende kortademigheid.
De ECG afwijkingen bestaat uit een heel scala aan aritmieën. De volgende aritmieën kunnen optreden bij een SSS:
a. Atriale brady-aritmieën:
-sinusbradycardie;
-sinusarrest, met of zonder AV nodaal escape slagen of
ritme;
-sino-auriculair blok(SA exit blok);
-Wenckebach SA-blok;
-Mobitz type II SA-blok;
-atriale bradycardie;
-atriumfibrilleren met trage kamerfrequentie;
-een pauze van >3 sec. na sinus carotis massage of andere
vagus prikkeling;
-een lange pauze na conversie van atriale tachy-aritmieën in
een sinusritme;
b. Atriale tachy-aritmieën:
-atriumfibilleren(komt het meest voor);
-atriumflutter;
-atriale
tachycardie;
-paroxysmale
supra-ventriculaire tacycardie;
-sinusknoop
re-entry tachycardie;
-ventriculaire(escape) tachy-aritmieën(zelden);
-afwisselend
bradycardieën met tachycardieën(bradycardie-tachycardie
syndroom).
ECG 1 De eerste drie slagen zijn sinusslagen met een verlengde PQ-tijd en smalle QRS-complexen.
De PQ-tijd bedraagt 0,24 sec. Het ritme is irregulair. Na deze 3 sinusslagen ontstaat er een pauze van 3,8 sec.(geen P-toppen, geen QRS-complexen). Hierna herstelt het ritme zich weer met dezelfde eigenschappen als voor de pauze. Deze pauze is geen veelvoud van een normaal PP of RR interval.
Opgemerkt dient te worden dat het basisritme al onregelmatig is en het hierdoor moeilijk is om te bepalen of de pauze een veelvoud is van een PP of RR interval.
Conclusie: dit ECG laat een sinusaritmie zien met een 1ste graads AV-blok en een sinusarrest van 3,8 sec. Dit voorbeeld is een van de vele aritmieën die kunnen voor komen bij een SSS.

De diagnose
De diagnose is vaak moeilijk te stellen vanwege het trage, verraderlijke
en onregelmatig verloop van het syndroom. In een vroeg
stadium bestaat er vaak een a-symptomatische sinusbradycardie. Andere symptomen
zoals moeheid, slapeloosheid, irritatie en geheugenverlies, kunnen bij oudere
mensen ook aan andere oorzaken worden toegewezen. Soms wordt hier ten onrechte
het etiket dementie opgeplakt.
Vaak zijn de tekenen van SSS afwisselend, intermitterend en
moeilijk te associëren met ECG veranderingen. De aritmieën zijn vaak niet
aanwezig als de patiënt klachtenvrij is en er een holterregistratie plaats
vindt.
Ook is er geen onderscheid te maken tussen atriumfibrilleren
bij een SSS en atriumfibrilleren met een normale sinusknoopfunctie. Toch is dit
onderscheid zeer belangrijk want medicamenteuze behandeling van
atriumfibrilleren bij een SSS kan fataal zijn voor de patiënt.
Wel is de aanwezigheid van atriumfibrilleren met trage
kamerfrequentie zonder medicatie zoals beta-blokkers of digoxine een aanwijzing
voor het bestaan van een SSS.
Bradycardieën bij hartfalen kunnen ten onrechte
toegeschreven worden aan de behandeling met digoxine.
Digoxine, Kinidine, Pronestyl als ook een hyperkaliëmie
kunnen periodiek sinusarresten en sino-auriculaire blokken tot gevolg hebben.
Verhoogde vagusprikkeling, functionele sinusbradycardie,
gastra-intestinale en neurologische omstandigheden evenals andere oorzaken voor
syncope gelijken op symptomen van een SSS. Het gevaar bestaat dat e.e.a. ten
onrechte wordt toegeschreven aan een SSS.
De diagnose bestaat niet alleen uit documenteren van de
sinusknoopdysfunctie maar ook uit het aantonen van de samenhang ervan met de
symptomen. Een Holtermonitoring is de meest gebruikte methode om de diagnose te
vast te stellen. Tijdens ambulante monitoring houdt de patiënt een dagboekje
bij van zijn activiteiten en symptomen zodat deze in samenhang gebracht kunnen
worden met de ECG veranderingen.
Indien twee 24 uurs Holterregistraties geen aritmieën aan
het daglicht brengen die toegeschreven kunnen worden aan een SSS, maar de
symptomen zijn ernstig en intermitterend, dan is het toch hoogstwaarschijnlijk
dat het SSS ernstig, maar intermitterend optreedt. Er bestaan in deze gevallen
speciale apparaatjes om bij klachten een ECG opname te maken. Ook bestaat de
mogelijkheid dit telefonisch door te zenden.
Verder zijn er een aantal mogelijkheden om de diagnose SSS
te stellen. Isometrische
inspanning of Valsalva manoeuvre doet normaliter de hartfrequentie toenemen. Bij een SSS
is dit effect minimaal of is er helemaal geen verandering in de frequentie
terwijl de bloeddruk toch flink daalt.
Een
plots optredend sinusarrest van >3 sec na sinus carotis massage wijst op het
bestaan van een SSS.
De
toediening van atropine i.v. heeft weinig effect op de frequentie bij een
SSS(< 25% toename van de frequentie).
Opgemerkt
dient te wprden dat bovenstaande tests moeten gebeuren onder ECG bewaking.
Soms
kan intra-cardiaal elektrofysiologisch onderzoek zoals atriaal overdrive pacen
en premature atriale stimulatie zinvol zijn om intrinsieke oorzaken van een SSS
aan het daglicht te brengen of om het effect van bv. digoxine of pronestyl te
documenteren.
De behandeling bestaat meestal uit het inbrengen van een
pacemaker bij patiënten met een symptomatisch SSS,
zeker wanneer er pauzes van > 3sec. zijn. Geadviseerd wordt om AV-synchrone
pacemakers(DDDR) in te brengen bij een SSS met AV-geleidingsstoornissen of
bundeltakblokkades. Een AAIR pacemaker(die de atria stimuleert) is afdoende bij
een SSS zonder AV geleidingsstoornissen. Het is nog niet
geheel duidelijk of deze vorm van stimulatie atriumfibrilleren kan
voorkomen. Wel is er verminderd risico op trombo-embolische complicaties, hartfalen,
cardiovasculaire sterfte en totale morbiditeit bij atriale en AV-synchrone
stimulatie.
Wel is de kans groter op atriumfibrilleren en
trombo-embolieën bij VVIR stimulatie.
VVIR kan gebruikt worden bij SSS met chronisch
atriumfibrilleren. Bekende complicatie zoals myocardperforatie, pneumothorax,
haematomen van de pocket, veneuze trombose, pacemakerlead dysfunctie en
infectie kunnen optreden, maar zijn zelden.
In die gevallen dat de patiënt tachy-aritmieën vertoont bij
zijn SSS reduceert de pacemaker het risico op totaal AV-blok en a-systolie
wanneer deze tachy-aritmieën medicamenteus behandeld worden met bv. digoxine,
calciumantagonisten of beta-blokkers.
Het toedienen van negatief chronotrope medicatie zal
weloverwogen moeten plaatsvinden in geval van een SSS(beta-blokkers,
calciumantagonisten en anti-aritmica). Het effect van Pronestyl en Kinidine is
onvoorspelbaar.
SSS-patiënten met periodes van hartfalen kunnen het best
behandeld worden met theophylline en twee-kamer stimulatie. Dit vermindert de
kans op herhaald hartfalen
Bij cardioversie(elektrisch als chemisch) moet men, in geval
de patiënt geen pacemaker heeft, alert
zijn op langdurige arresten en a-systolieën.
Bij SSS patiënten met bradycardie-tachycardie
syndroom(paroxysmaal atriumfibrilleren) of met chronisch atriumfibrilleren moet
men bedacht zijn op trombo-embolieën en CVA’s. Zij dienen behandeld te worden
met anti-coagulantia. Ook patiënten met een SSS en een-kamer stimulatie van de rechterventrikel dienen met anti-coagulantia behandeld te
worden.