Aberrante
ventriculaire geleiding
![]()
|
|
|
| Optreden
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Concealed retrograde conduction
|
figuur 1 |
| Frequentie afhankelijk
bundeltakblok
|
ECG 4, ECG 5 |
| Ashman’s fenomeen
|
strookje 2 |
| Algemene opmerkingen
|
ECG 6 |
| Capita Selecta |
Aberrante
ventriculaire geleiding van supra-ventriculaire impulsen is het gevolg van een
abnormale verspreiding van de excitatiegolf door de kamers. De oorzaak is een
gedeeltelijke of gehele refractaire toestand van het ventriculaire
geleidingsweefsel. E.e.a. manifesteert zich door verandering in de contouren en
de duur van het QRS-complex. Er ontstaat bv. Een bundeltakblok.
Het wordt
gezien bij:
-supra-ventriculaire
aritmieën zoals PAC’s en premature AV nodale complexen;
-AV nodale
escape slagen;
-AV nodaal
escape ritme;
-paroxysmale supra-ventriculaire tachycardieën(atriale,
AVNRT, AVRT;
-atriumfibrilleren ;
-sinusslagen(capture
beats tijdens bv. een VT of na retrograde concealed conduction(verborgen
retrograde geleiding waarover hier later)).
ECG 2 Er bestaat een onregelmatig sinusritme met een frequentie van ca 72/min. Het 2de complex in de extremiteitsafleidingen is een PAC met normale ventriculaire geleiding. De P'-top en het QRS-complex vallen te vroeg, het complex vertoont een normale ventriculaire geleiding. Er is een incomplete compensatoire pauze. Het 4de complex in de pre-cordiale afleidingen is een PAC. Er is een te vroeg vallende P'-top bovenop de voorgaande T-top gevolgd door een breed QRS-complex(0,12 sec). Er is een incomplete compensatoire pauze. Het QRS-complex heeft het patroon van een RBTB. Ook hier hebben we te maken met een rechterbundeltakblok aberrantie.
ECG 3 Er bestaat atriumfibrilleren met een snelle kamerfrequentie(168/min.) Het 1ste QRS-complex vertoont rechterbundeltakblok aberrantie(RS-complex). Het 8ste, 9de en 10de QRS-complex vertonen een wisselende mate van linkerbundeltakblok aberrantie. Brede R-top(ca 0,12 sec) in I en aVL
Strookje 1 Er bestaat een sinusritme. Elke 2de slag is een PAC met breed complex. De P'-top zit bovenop de vorige T-top. Door het vroege optreden van de PAC is er aberrante ventriculaire geleiding ontstaan. Dit is afleiding V1. Het QRS-complex van de PAC vertoont een rSR'-complex in V1. Dit is typisch voor een rechterbundeltakblok aberrantie. De PAC's treden op in bigeminie(atriale bigeminie)
Factoren van belang voor het
ontstaan van aberrante ventriculaire geleiding
De volgende
factoren zijn van belang bij het ontstaan van aberrantie:
-de lengte
van het RR-interval voor de ectopische slag. Met andere woorden, een plotse
belangrijke verkorting van het RR-interval kan aberrantie tot gevolg
hebben(fase 3 aberrantie)(zie de depolarisatie en
repolarisatie);
-de mate
van prematuriteit van de impuls(koppelingsinterval);
-de
snelheid van de AV-geleiding;
-de mate
van prikkelbaarheid van het ventriculaire geleidingssysteem.
Aberrante
ventriculaire geleiding vindt het meeste plaats wanneer het voorgaande
RR-interval lang is, want hoe langer het voorgaande RR-interval is, hoe langer
de refractaire periode is die daarop volgt. Omgekeerd, hoe korter het
voorgaande RR-interval, hoe korter de daarop volgende refractaire periode. Dus
een lang RR-interval voor een PAC kan al snel aberrantie van het PAC tot gevolg
hebben. Is het RR-interval van te voren kort, dan zal het PAC minder snel
aberrant worden geleid.
Men kan
stellen dat hoe eerder het PAC optreedt, hoe groter de kans is op aberrantie
van het PAC.
Snelle
AV-geleiding geeft een grotere kans op aberrantie want de impuls van een PAC
wordt sneller doorgegeven aan het ventriculaire geleidingssysteem. Terwijl
vroege PAC met een trage AV-geleiding(lange PQ-tijd) het ventriculaire
geleidingssysteem weer geheel prikkelbaar aantreffen. Het gevolg is dat er op
zo een moment geen aberrantie optreedt.
Het QRS-complex bij aberrantie
Het
QRS-complex als gevolg van aberrante ventriculaire geleiding wordt meestal
gekenmerkt door een rechterbundeltakblok(80% van de gevallen. De rechterbundel
heeft namelijk de langste refractaire periode. Andere geleidingsstoornissen in
volgorde naar voorkomen:
-linkerbundeltakblok;
-linkeranterior
fasciculair blok;
-gecombineerd
rechterbundeltakblok met linkeranterior fasciculair blok;
-gecombineerd
rechterbundeltakblok met linkerposterior fasciculair blok;
-linkerposterio
fasciculair blok.
Zie bundeltakblokken en SVT versus VT
Algemene opmerking t.a.v. fase 3
aberrantie
Bovenstaande
vormen van aberrantie kunnen bij een en dezelfde persoon afwisselend optreden.
Het
QRS-complex is meestal niet breder dan 0,12 sec. bij een rechterbundeltakblok
en niet breder dan 0,14 sec. bij een linkerbundeltakblok.
Aberrantie
treedt zowel bij een ziek hart als bij een gezond hart op.
Fase 4 aberrante ventriculaire
geleiding
Naast fase 3
aberrantie als gevolg van een plotse belangrijke verkorting van het RR-interval
bestaat er ook fase 4 aberrantie als gevolg van een belangrijke verlenging van
het RR-interval(zie de depolarisatie en
repolarisatie).
Fase 4
aberrantie veroorzaakt een bundeltakblok of fasciculairblok of een combinatie
na een belangrijke toename van het RR-interval.
Geleidingsweefsel
met een transmembraanpotentiaal(TMP) van -90mV geleidt optimaal. Echter wanneer
het TMP minder negatief wordt, dan geleidt het ventriculaire geleidingssysteem
minder snel en kan zelfs een blok veroorzaken.
Wat is nu
het mechanisme achter deze fase 4 aberrantie ?
Gedurende
een lange pauze bv. als gevolg van een sinusarrest, zullen cellen in het
ventriculaire geleidingssysteem spontaan ontladen. Dus het het weefdel in het
geleidingssysteem wordt minder en minder negatief. Hierdoor zal een aankomende
prikkel die de pauze tracht te
onderbreken worden geblokkeerd of trager worden verspreid. Deze slag vertoont
een QRS-complex met een ventriculaire geleidingsstoornis. Dit is fase 4
aberrante ventriculaire geleiding.
Concealed retrograde conduction of
verborgen retrograde geleiding(zie figuur 1)
Een ander
fenomeen dat aberrantie tot gevolg heeft is de concealed retrogade
conduction(verborgen retrograde geleiding).
Alhoewel in
dit geval het begin van de aberrantie veroorzaakt wordt door fase 3 aberrantie
van een PAC kan tijdens de supra-tachycardie als gevolg van deze PAC concealed
retrograde conduction ontstaan.
Voorbeeld:
er ontstaat een PAC met een rechterbundeltakblok aberrantie als gevolg van fase
3 aberrantie. Hierop ontstaat een supra-ventriculaire tachycardie met
rechterbundeltakblok door het steeds weer retrograad binnendringen van de
impuls in de rechterbundel. Deze vorm van verborgen retrograde geleiding kan op
het juiste moment worden beëindigt door een PVC. Hierdoor worden beide
bundels(dus ook rechts) refractair waardoor er geen verborgen retrograde
geleiding kan ontstaan.

Frequentie afhankelijk bundeltakblok
We
onderscheiden nog een frequentie gebonden bundeltakblok of een rate response
bundeltakblok. Dit wordt veroorzaakt door een verkorting van het RR-interval
bij toename van de sinusknoopfrequentie. We spreken hier niet over fase 3
aberrantie. De oorzaak is gelegen in een slechte geleiding van een van de
bundeltakken, en is vaak een voorbode voor een permanent bundeltakblok.
ECG 4 Er bestaat atriumfibrilleren met een snelle kamerfrequentie en een linkerbundeltakblok. Dit is frequentie gebonden linkerbundeltakblok. We zien in V1 en snelle steile daling van de S en het begin van QRS tot diepste punt van de S is <0,06 sec. In V4 t/m V6 zien we de kamerfrequentie afnemen en ontstaat er een normale ventriculaire geleiding. De extremiteitsafleiding vertonen nog een LBTB. Verder bestaat er mogelijk een linkerkamer hypertrofie. Zie SVT versus VT en hypertrofieën.

ECG 5 Dit is van dezelfde patiënt als ECG 4. Er bestaat nog steeds atriumfibrilleren. De kamerfrequentie neemt verder af. We zien nu ook in V1 t/m V3 een normale ventriculaire geleiding ontstaan. Na het 2de complex met LBTB in V1 t/m V3 zien we slanke QRS-complexen optreden. De extremiteitsafleiding vertonen nog een LBTB. Verder bestaat er mogelijk een linkerkamer hypertrofie. Zie SVT versus VT en hypertrofieën.

Ashman’s fenomeen(zie strookje 2 )
De reden is
dat een lang RR-interval een lange refractaire periode tot gevolg heeft.
De duur van
de refractaire periode is evenredig lang aan de lengte van het RR-interval. Een
lang voorafgaand RR-interval heeft tot gevolg dat de refractaire periode hierna
lang is. Een korter voorafgaand RR-interval heeft tot gevolg dat de refractaire
periode hierna korter is. Met andere woorden, de refractaire periode wordt
korter bij een tachycardie en langer bij een bradycardie.
Wanneer nu
tijdens atriumfibrilleren een relatief kort RR-interval gevolgd wordt door een
relatief lang RR-interval, dan is de kans groot dat de slag die hierna volgt en
een kort RR-interval veroorzaakt tekenen van aberrantie
vertoont(shorth-long-short interval). E.e.a. kan ook gebeuren bij een
uitgesproken sinusaritmie en geblokte PAC’s.
Opgemerkt
dient te worden dat bij een toename van het RR-interval de kans op PVC’s
toeneemt. Daarom is bij een kort-lang interval dit breed QRS-complex na het
lange RR-interval niet altijd aberrantie !!!

Buiten
aberrante ventriculaire geleiding bestaat er ook aberrante atriale geleiding.
Soms zie je dat de eerste P-top(pen) van de sinusimpulsen na een PAC even iets
anders zijn dan de andere sinus P-toppen. We spreken in dit geval over
aberrante atriale geleiding. Bovenstaande situatie kan ook het gevolg zijn van
een verschuiving van de gangmaker in de sinusknoop zelf of in de boezems.
Ook bij
bundeltakblokken kennen we het verschijnsel Wenckebach blok. Hierbij zien we
bv. bij een linkerbundeltakblok het blok toenemen van smal naar breder en
breder(incompleet) totdat het blok in een van de bundels compleet is. Hierna
begint het fenomeen van voorafaan.
Fasciculaire
ritmes(bv. fasciculaire VT’s) met smalle complexen kunnen soms aberrantie doen
voorkomen. Zie SVT versus VT.